Beschikbaarheid van het voer.

  • Hoeveelheid, voldoende om te kunnen functioneren, mate waarin het wordt verteerd.
  • Samenstelling, kwantiteit en kwaliteit, voedingswaarde, toxische stoffen, smakelijkheid.
  • Vorm, consistentie van het voer, dieren hebben vaak een voorkeur voor een bepaalde vorm van voedsel.
  • Bereikbaarheid, vroeger jagen, achtervolgen enz. nu kan het dier deze energie niet kwijt wat vaak de oorzaak is voor vele kwalen en uitingen van ongewenst gedrag.
  • voeding-dieren

Opname van het voer.

  • Zoeken, zintuigen moeten functioneren en motorisch in orde zijn. Storingen hierin kunnen dus gevolgen hebben voor de voeding.
  • Keuze, instinctief op grond van vorm, geur en smaak.
  • Vastpakken, goede motoriek van de mond is voorwaarde voor voldoende voeropname.
  • Verwerken: kauwen; het zodanig verkleinen van voedsel zodat het ingeslikt kan worden. Bij planteneters is voldoende kauwen een voorwaarde voor de vertering van het voer in het maagdarmkanaal.

Slikken; kan door vele oorzaken gestoord worden bijv. scherpe voedseldelen kunnen keelholte beschadigen.

 

Vertering van het voer.
Bij de vertering worden 2 hoofdbegrippen gehanteerd:

  • Stofwisseling ( metabolisme), alles wat er met het voedsel gebeurt tussen opname via de mond en de uitscheiding van de faeces via de anus.
  • Spijsvertering ( digestie), het verkleinen en oplosbaar maken van het voer zodat dit door het slijmvlies van de darmwand kan worden opgenomen.

De “Weender”analyse.
Hierdoor ontstaat inzicht in de hoofdbestanddelen van het voer.

  • (ruw) water/ droge stof ( d.s.), om water gehalte te bepalen verhit men het voer waardoor vocht verdampt maak ook vluchtige stoffen vandaar ruw-water. Kent men het watergehalte dan volgt daaruit het droge stof gehalte.
  • (ruw) eiwit, m.b.v methode van Kjedahl wordt stikstofgehalte bepaald, hieruit volgt eiwitgehalte. Omdat men echter ook niet eiwit-gebonden stikstof vindt, zoals nitriet en nitraat, spreekt men van ruw-eiwit.
  • (ruw)vet, voer verwerken met petroleum ether.
  • (ruwe) as , voer in verassingsoven gloeien bij 450 graden, na bepaalde tijd blijft wit as achter. Hierin mineralen en spoorelementen de as-bestanddelen. Maar ook nog wat zouten en oxiden.
  • (ruwe) celstof ( r.c.), dit wordt bepaald door de bij 1,2,3 en 4 gevonden percentages bij elkaar op te tgellen en af te trekken van 100%.
    Fractie r.c. bestaat uit: echte r.c en overige koolhydraten.

Verteringscoëfficiënt = de mate waarin het voedsel in de darmwand wordt opgenomen.
Ieder voedselcomponent heeft zijn eigen verteringscoëfficiënt , dit wordt beïnvloed door:

  • De chemische samenstelling van het voer, wanneer een goed verteerbare stof wordt omhuld door onverteerbare stof beïnvloedt dit de verteerbaarheid.
  • Interactie van stoffen, stoffen in het voer beïnvloeden elkaar positief of negatief.
  • Bewerkingen die het voer ondergaan heeft, gevolgen van bewerkingen kunnen posi of nega effecten hebben op verteringscoëfficiënt. Hakselen of pletten gunstig, verhitting niet gunstig.
  • Het voerniveau, hoeveelheid voer die het dier opneemt. Verteringscoefficient daalt naarmate het dier meer eet.
  • Diergebonden factoren, leeftijd en mate waarin het dier voedsel kauwt, lengte darmkanaal en wel of niet aanwezig zijn van bacteriën in de darm.

Enzymen en co-enzymen.
In het lichaam vinden voortdurend honderden omzettingen plaats, sommige van deze reacties verlopen makkelijk of spontaan maar voor het merendeel is het nodig dat aan enkele voorwaarden wordt voldaan:

ü  Juiste hoeveelheid aanwezige stoffen

ü  Juiste temperatuur

ü  Aanwezigheid van katalysatoren, stoffen die zorgen dat een reactie vlotter verloopt.

Enzymen zijn biologische katalysatoren.
Voor elke omzetting/ reactie in het lichaam is een apart enzym. Ontbreekt dit enzym dat gaat er iets “fout”.
Enzymen worden door het lichaam zelf gemaakt, dus niet in voeding.
Enzymen zijn eiwitten en gevoelig voor te hoge temperatuur.
Enzymen treden als katalysator op en nemen niet aan de reactie deel, toch treedt er slijtage op van het molecuul. Daarom voortdurende vervanging noodzakelijk. Lever belangrijk.

Co-enzymen = stoffen die op hun beurt weer moeten zorgen dat een enzym zijn werk kan doen. Zijn minder specifiek. Een bepaalde stof kan als co-enzym voor vele enzymen fungeren.

Energie in de voeding.
Voor het beschikbaar komen van energie is het nodig dat er vorming optreedt van “ATP”.
ATP = Adenosine Tri-Phosphaat, energie rijke verbinding, wanneer een van de fosfaatgroepen los raakt ontstaat ADP en daarna AMP.

ATP kan gevormd worden uit aminozuur, vetzuur en suiker.
ATP- vormend vermogen = hoeveelheid energie die een voedingsmiddel bevat.
Als de energie behoefte stijgt, dan moet aan deze behoefte worden voldaan door het percentage koolhydraten in het voer te verhogen.

 

Zetmeel/ amylose is voor dieren een belangrijke energiebron.

Het enzym amylase uit speeksel of alvleesklier splitst de ketens van dit polysaccharide in di en oligosacchariden, die worden verteerd door betreffende enzymen , zodat glucose verblijft.

Ontsluiten van voedingsmiddelen  is koken, poffen, malen enz. Om verteerbaarheid te verbeteren. Zetmeel wordt hierdoor bereikbaar. Als een dier voer eet dat onvoldoende ontsloten is, dan geeft dit diarree.

De koolhydraten die niet door lichaamseigen  enzymen kunnen worden verteerd, wordt voor een deel gefermenteerd door bacteriën.

 

Ruwe celstof = het gehalte aan cellulose, hemicellulose en lignine in het voer.

Voedingsvezel = de som van lignine plus alle koolhydraten die niet door dier- eigen spijsverteringssappen ( zoutzuur en enzymen) kunnen worden gesplitst.

Voldoende voedingsvezel in het voer is van belang voor de passage snelheid van de darminhoud. Nadeel van voedingsvezel kan zijn dat het mestvolume erdoor wordt vergroot.

 

Ruwvoer= voedermiddelen die op basis van hun fysische (natuurkundige) en chemische eigenschappen bijdragen aan het ( her) kauw proces en daarbij een deeltjeslengte van meer dan 8 mm hebben.

Kauwen zorgt voor vrijkomen speeksel dit heeft een bufferende werking op pH van het maagdarmkanaal. Onvoldoende kauwen kan verzuring veroorzaken.

voer voor paarden

Structuurvoer = valt enigszins samen met de term “ruwvoer”, maar is wat ruimer. Het verteren van planten is een moeizaam en langdurig proces. Planteneters hebben een aantal voorzieningen bijv. bij herkauwers de pens en bij paarden een grote blinde darm en dikke darm.

De voeding is verkrijgbaar bij dierenspeciaalzaken of specifieke winkels voor bepaalde typen dieren, zoals een ruitersportzaak of een squariumwinkel.

 

Vetten zijn noodzakelijke voedingsstoffen voor alle diersoorten. Hoewel het meestal vetten genoemd wordt gaat het hier om vetten en oliën. Enige verschil is het smeltpunt.

Functies vetten:

  • Energie ( ATP-leverend, teveel aan energie opslaan als vet)
  • Isolatie, tegen lage temp.
  • Bescherming, van organen zoals vetkussen achter het oog.
  • Vertering van vitaminen, voor het oplossen en absorberen uit de darm van een aantal vit ( A.D.E en K) is vet nodig.
  • Waterbron, bij verbranding van vet in lichaam komt water vrij ( bulten van kameel).

 

Essentiële vetzuren:  essentieel betekent in de voedingsleer dat de betreffende stof niet ( in voldoende mate) door het lichaam kan worden geproduceerd en dat deze stof dus met het voer moet worden opgenomen. Voor alle dieren zijn de essentiele vetzuren linolzuur en linoleenzuur. En katachtigen hebben ook nog arachidonzuur nodig ( alleen in dierlijke producten).

Kenmerk van de vetzuren: bestaan uit lange keten met een aantal dubbele bindingen. ( zonebloemolie, olijfolie).

Essentiele vetzuren spelen belangrijke rol bij:

  • Vorming hormonen
  • Bouwstenen voor biomembranen en bijv. talgvet.

Tekort geeft problemen op gebied van:

  • Vertraagde groei
  • Gestoorde voortplanting
  • Slechte voederconversie
  • Huidafwijkingen
  • Afwijkende vleeskwaliteit

enzymen dieren

Cholesterol is vetachtige stof. Belangrijke bouwsteen voor dierlijke membranen, hormonen, vit. D en galzuren.

 

Vetbederf: Essentiële vetzuren zijn zeer gevoelig voor oxidatie, de onverzadigdheid wordt daardoor opgeheven en het molecuul wordt verzadigd. Molecuul verliest zijn waarde, smaken en ruiken ranzig en zijn schadelijk. Door oxidatie ontstaan namelijk ook vetzuur-radicalen.

Men probeert anti-oxidanten aan het voedsel toe te voegen om oxidatie af te remmen.

 

Vetvertering: vet heeft de neiging bollen te vormen. Nadeel vet megt zich niet makkelijk met andere (vloei)stoffen. Daardoor kunnen enzymen alleen aan oppervlakte van vetbolletje actief zijn.

Emulgeren van vet = grote vetbol valt uiteen in kleine bolletjes en mengt zich met overige darminhoud.  Dit is de taak van galsap.

Grote hoeveelheden Ca en Mg in de darm verminderen de vetabsorptie uit de darm omdat vetten met deze mineralen zepen vormen die onoplosbaar zijn.

Mineralen en spoorelementen.

Wanneer een element in het lichaam wezenlijk bijdraagt aan het lichaamsgewicht, dan noemen we dit een mineraal. Wanneer van een element slechts een spoortje aanwezig is , spreken we van een spoorelement.

Mineralen:

  • Calcium
  • Fosfor
  • Magnesium
  • Natrium
  • Kalium
  • Chloor
  • Zwavel

Spoorelementen:

  • Ijzer
  • Koper
  • Zink
  • Mangaan
  • Molybdeen
  • Selenium
  • Cobalt
  • Jodium
  • Fluor enz.

Deficiënties ( tekorten).

Waardoor kunnen tekorten ontstaan?

  • Onvoldoende opname, te weinig eten of voer bevat te laag gahalte.
  • Slechte beschikbaarheid, als element de darmwand niet kan passeren.
  • Onvoldoende absorptie door darmwand, bijv. tekort aan hormoon of vitamine dat voor opname zorgt.
  • Competitie met andere elementen, overmaat aan een mineraal/spoorelement kan opname van een andere remmen.
  • Verhoogde behoefte, bij groei, lactatie, legperiode enz.

Mineralen.
Natrium, kalium, chloor.
hun functie is verbonden aan de vochtregulatie van het lichaam.

KAV Kation Anion Verschil speelt een rol bij de vorming van urinestenen.

Deficiëntie.
Alleen bij langdurige voedingstekorten of aanhoudende diarree of braken ontstaan problemen.
Verschijnselen:
Na:

  • Verminderde eetlust
  • Slechte groei
  • Likzucht
  • Stugge, droge huid, slechte turgor

K:

  • Gebrek aan eetlust
  • Spierzwakte

Cl:

  • Slechte groei

Overmaat aan NACl en K wordt bij voldoende drinkwater uitgescheiden via de urine.

Calcium.
Ca-gehalte wordt geregeld door hormonen. Vit. D bepaalt opname Ca uit darm. Wanneer bloed te weinig Ca bevat zorgt PTH ( Para thyreoid hormoon) voor vrijmaken Ca uit bot = botafbraak!

Vrijwel alle Ca ( 99%) bevindt zich in bot, overige in bloed zorgt voor stolling/prikkelgeleiding en het hart.

Tekorten aan Ca geven stoornissen in botontwikkeling, sterkte skelet hersenverschijnselen e.d.

Te hoog Ca-gehalte leidt tot gestoorde botvorming en verbening kraakbeen.

Fosfaat .
Meeste P ( fosfor) is vastgelegd in botweefsel. P is belangrijk bestanddeel fosfolipiden (vetten), van ATP en nucleïnezuren.  P bestaat uit een verbinding in het voer kan daardoor niet worden losgemaakt en komt vaak met de mest in milieu terecht. Daarom enzym toegevoegd zodat het P toch benut kan worden.

Deficiëntie:
Gestoorde botvorming en groeivertraging.

Overmaat leidt tot kalkneerslagen in organen, nieren, gevolg nierstenen.

Ca/P verhouding.
Ideaal is 1,5 x zoveel ca als P.

Magnesium speelt belangrijke rol bij prikkeloverdracht van zenuw naar spier. En functie als co-enzym bij omzetting van ATP. Bij eenmagige dieren komt Mg-tekort niet voor. Herkauwers hogere behoefte omdat mg-gehalte gras laag is .

Overdosering Mg geeft in extreme gevallen diarree en bij katten gruis/stenen in urinewegen.

Zwavel onmisbaar omdat het onderdeel is van een aantal aminozuren en komt voor in insuline.
tekorten komen niet voor.
Overmaat S in voer heeft negatieve invloed op benutting Cu in voer.

Spoorelementen.
Ijzer.

Meeste Fe in haemoglobine (rode bloedcellen) en in spieren. Maar ook aantal enzymen bevatten Fe en het fungeert ook als co-enzym.

Ijzer in dierlijke voeding kan door darm veel makkelijker worden opgenomen dan Fe in planten. Overmaat Mn, Zn, Cu en Ca remt Fe-opname uit de darm.

  • Levensduur rode bloedcellen beperkt, bij afbraak ervan komt via galsap Fe in darm terecht
  • Wordt voor groot deel opnieuwe benut
  • Overmaat fe is niet schadelijk wordt gewoon niet opgenomen door mucosa = mucosal Block.
  • Lichaam verliest alleen Fe via urine, zweet, huidcellen e.d.
  • In lever, milt en beenmerg reservevoorraad Fe.
  • Bij pasgeboren dieren voorraad gering en melk is arm aan Fe.

Koper.

  • Cu onmisbaar voor groot aantal enzymen speelt rol bij bloedvorming.
  • Helft van Cu bevindt zich in rode bloedcellen.
  • Lever slaat Cu op en hier is inbouw in de betreffende enzymen
  • Overmaat normaal via gal uitgescheiden, bij sommige diersoorten hoopt het zich op.

Zink Zn essentieel onderdeel van vele enzymen, fungeert ook als co-enzym.
Tekort komt weinig voor .( schilferige huid, onvruchtbaarheid in combinatie met fytinezuur.
Meeste dieren hebben grote tolerantie t.a.v Zn overmaat.

Mangaan Mn speelt rol bij botvorming en voortplanting. Mangaan tekort is belngrijk als (mede) oorzaak van de aandoening “perosis”bij vogels.
Perosis = achillespees glijdt van hak naar buitenzijde poot, leidt tot ongeneeslijke kreupelheid.
Hoge gehaltes Ca, P en Fe in voer verminderen Mn absorptie uit de darm en kunnen zo voor Mn deficiëntie zorgen.
Teveel Mn wordt via gal uitgescheiden.

Molybdeen = onderdeel van enzym uit de Fe-huishouding. Geen tekorten of vergiftigingen.

Cobalt Co, alleen van belang bij vorming vit. B12. Tekort komt niet voor bij voldoende vit B12 opname.

Selenium.

  • Natuurlijke anti-oxidanten zijn Se en vit E.
  • Vit E moet oxidatie van vooral meervoudige onverzadigde vetzuren voorkomen
  • Se maakt als onderdeel van bepaald enzym eenmaal gevormde peroxiden onschadelijk
  • Behoefte aan Se en toxische dosis ervan liggen dicht bij elkaar

Deficientie Se/Vit E:

  • Spierdystrofie
  • Levernecrose
  • Retentio secundinarium ( aan de nageboorte blijven staan)

Overmaat aan Se geeft haaruitval, verminderde vruchtbaarheid, doodgeboren jongen, stijfheid, ontstekingen hoeven, gewichtsverlies enz. vele maar aspecifieke klachten.

Jodium J is alleen van belang als bestanddeel van het schildklierhormoon. Lichaam gaat zuinig om met J.

Deficiëntie: de verlaagde thyroxine productie leidt tot groei en voortplantingsstoornissen.

Overmaat van J, de tolerantie is groot.

Vitaminen.
Werking van vitaminen is zeer uiteenlopend, maar vaak fungeren ze als een co-enzym bij enzymatische processen. Meer hierover op http://horsenl.nl/shop/vitaminen-mineralen

Hypervitaminose = overmaat aan vit.
Hypovitaminose = 
tekort aan vit.
Avitaminose = 
ontbreken van vit.

Mogelijke oorzaken vit. tekort :

  • Onvoldoende voeropname
  • Te laag gehalte aan vit. in het voer
  • Slechte verteerbaarheid van het vit.
  • Een onevenwichtige voersamenstelling
  • Onvoldoende opname van het vit. uit de darm
  • Verhoogde behoefte van het dier in bepaalde levensfase
  • Aanwezigheid van “antivitaminen”in het voer

Op grond van oplosbaarheid ( noodzakelijk voor hun vertering!) worden vit. verdeeld in twee groepen:

  • Vetoplosbare vit.
  • Wateroplosbare vit.

Vetoplosbare vit.:
Vit. A (= retinol) en caroteen.

  • Komt alleen voor in dierlijke producten
  • Planten bevatten echter wel caroteen
  • Hieruit kan lichaam vit. A maken
  • Daarom wordt caroteen ook wel pro-vit. A genoemd
  • Van caroteen bestaan 3 vormen
  • Caroteen en vit. A bevatten veel dubbele bindingen, daarom oxidatie gevoelig
  • Daarom bevat hooi weinig caroteen
  • Katten kunnen geen vit A vormen uit caroteen

Deficientie (hypovitaminose A)

  • Oogafwijkingen
  • Nachtblindheid
  • Groeiremming
  • Slijmvliesdefecten
  • Storing in botvorming
  • Gestoorde voortplanting

Overmaat :

  • Lever kan veel vit. A opslaan
  • Teveel via gal en urine weg
  • Vit moet wel in oplosbare vorm worden gebracht
  • Katten en jonge dieren zijn hiertoe niet in staat
  • Dus gevaar voor vit. A intoxicatie
  • Bij drachtige dieren misvormingen vrucht
  • Verlaagt absorptie vit. K uit de darm

Vit. D.

Vit. d2 en d3 moeten in de lever of niet een bewerking ondergaan en de stof die hierna ontstaat heeft de echte vit. d activiteit.

In lichaam bevindt zich kleine voorraad vit. d in lever, maar vooral in bloed. Vit. D is onmisbaar voor goede botstofwisseling, stimuleert opname Ca en P uit de darm en werking bijschildklierhormoon PTH.

Planten bevatten pas vit. D als ze beginnen af te sterven en volop zon krijgen. Kunstmatig gedroogd hooi bevat dus minder Vit. D.

Deficiëntie:
verschijnselen ontstaan door: onvoldoende vit. D in voer, aandoeningen lever/nier of onvoldoende zonlicht.
Bij dieren in groei zie je rachitis. Volwassen dieren botafwijkingen.

Overmaat:
Vit. D is het meest giftig! Overmaat leidt al snel tot ziekteverschijnselen. Verkalking zachte weefsels, vooral longen, nieren en bloedvaten en botontkalking.

Vit. E (= tocopherol)

  • Anti-oxidant
  • Bladrijk voedsel, plantaardige oliën, eieren en lever bevatten veel vit. E.
  • Opslag in lever en vetweefsel
  • Stoffen die geschikt zijn om als anti-oxidant  te fungeren, zijn zelf gevoelig voor oxidatie
  • Dus vit. E houdende voeding na malen, drogen, verhitten, invriezen en inblikken zullen een verlaagd gehalte hebben.
  • Deficientieverschijnselen doen zich pas voor als er ook tekort is een Se.

Vit. K.
Bij bloedstolling moeten stollingsfactoren aanwezig zijn. Prothrombine is zo’n factor en wordt door de lever gevormd uit vit. K.
In maagdarmkanaal van planteneters wordt door bacteriën Vit. K gevormd.
Komt in dierlijke en plantaardige middelen voor.

Gebrek aan K geeft “verhoogde bloedingneiging”en bloedingen in hele lichaam. Oorzaken kunnen zijn:

  • Onvoldoende K opname met het voer (zelden)
  • Slechte opname uit darm
  • Langdurig gebruik antistollingsmiddelen
  • Leveraandoeningen
  • Belemmeringen van coprofagie ( konijn)
  • Eten beschimmelde klaver
  • Vit. K antagonisten

Lichaam kan kleine hoeveelheid K opslaan. K is niet toxisch.

Wateroplosbare vitaminen:

Tot deze groep bejoren de vitaminen van het B-complex en vit. C. Het lichaam kan hier geen reserve van opbouwen en het moet dus dagelijks met het voer worden gegeven.

Vlees bevat van alle B-vitaminen voldoende, vleeseters zullen dus geen hypovitaminose B krijgen.
Hypervitaminose komt niet voor omdat de wateroplosbare vit. gemakkelijk worden uitgescheiden door de nier.

Vit. B1 (=thiamine)

  • Fungeert als co-enzym bij energiemetabolisme
  • Speelt rol in het zenuwstelsel
  • Runderlever en varkensvlees bevatten veel vit. B1
  • Tekort geeft aandoeningen aan zenuwstelsel en verlammingsverschijnselen

Vit. B2 (= riboflavine)
onderdeel van enkele enzymen, tekorten komen nauwelijks voor.

Pantotheenzuur:
Onderdeel van co-enzym A een van de belangrijkste in ons lichaam.
Tekorten komen vrijwel niet voor.

Nicotinezuur:
Onderdeel van aantal co-enzymen.
melkproducten, mais en rogge zijn arm aan dit vitamine: zo kunnen tekorten bij dieren ontstaandie van dit voedsel afhankelijk zijn.
Bij de mens verdikking en verkleuring van de huid.
Bij de hond rode, gezwollen tong. Ook darmontstekingen en afwijkingen zenuwstelsel.

Vit. B6 (=pyridoxine)
Co-enzym bij aminozuurstofwisseling. Behoefte aan dit vitamine is afhankelijk van hoeveelheid eiwit in de voeding.
Zowel in dierlijke als plantaardige producten.
Tekorten treden niet vaak op, antibacteriële middelen remmen de werking van vit. B6.
Hierdoor behoefte verhoogd. Uit zich in afwijkingen huid, anemie en epileptiforme krampen.

Foliumzuur:
Speelt een rol bij opbouw en afbraak van threonine en histidine.
Voedingsmiddelen vaak arm aan foliumzuur, dus toevoeging aan voer. Daardoor deficientieverschijnselen niet vaak. ( minder eetlust, diarree, gevoeligheid infecties).

Vit. B12 (= cobalamine)
Alleen in dierlijke producten. Bij planteneters zorgen de maagdarmbacteriën voor vorming Vit. B12.
Speelt rol bij vorming hemoglobine en stofwisseling van het zenuwstelsel.
Hypovitaminose B12 geeft anemie en neurologische afwijkingen.

Biotine (vit.H)
Van belang voor eiwit- en vetstofwisseling en komt in vele voedingsmiddelen voor.
Deficiëntie komt niet veel voor.
Geoxideerde vetzuren kunnen biotine vernietigen.
Tekort: huidafwijkingen: kaalheid, eczeem,slechte klauwen/hoeven.

Vit. C (=ascorbinezuur)

  • Alle dieren vormen in de lever uit glucose voldoende ascorbinezuur.
  • Voor deze dieren geen vitamine.
  • Primaten, cavia’s en enkele exotische dieren moeten ascorbine via de voeding binne nkrijgen.
  • Zij missen enzym dat voor vorming nodig is.
  • Aardappelen, bieten, groene planten en citrusvruchten rijk aan vit. C.
  • Rol bij vorming collageen, functioneren bijnierschors, bloedstolling, Fe-stofwisseling en afweer tegen infecties.
  • Deficiëntieverschijnselen: bindweefselafwijkingen, bloedingen mondholte, inwendige bloedingen, levernecrose, vergrote bijnieren en slechte wondgenezing.
  • Dagelijkse opname noodzakelijk bij dieren die zelf geen of onvoldoende vit/. C kunnen vormen, dieren kunnen geen voorraad opbouwen.

Choline ( Vit. B4 of B7)
Als lichaam over voldoende methionine beschikt, kan het zelf in de lever choline produceren. (vogels, katten niet)Dan mag het dus geen vitamine heten.
Onderdeel van celstructuur en belangrijk bij vetstofwisseling.
Tekort: leververvetting.
Choline is antagonist van adrenaline.